Totaal aantal pageviews
woensdag 31 december 2025
Terugblik 2025
vrijdag 12 december 2025
Eén jaar later: wat mijn hartstilstand me leerde over het leven.
Vandaag is het precies een jaar geleden dat mijn hart even stopte.
Vandaag, precies een jaar later, kijk ik terug. Niet om het drama te herbeleven, maar om te delen wat het met me deed. Sommige dagen beginnen zo gewoon dat je nooit verwacht dat ze de rest van je leven zullen veranderen. Mijn dag begon licht in het hoofd, een beetje duizelig dacht ik, maar niets waar ik echt bij stil stond. Tot mijn moeder en mijn vriendin me aankeken met die blik, de blik die moeders en beste vriendinnen alleen geven als ze voelen dat er iets niet klopt. Zij drongen aan: bel de huisarts. En omdat zij het zeiden, deed ik het.
En goed dat we dat deden. De huisarts stuurde een ambulance uit voorzorg, niets dringends, gewoon even kijken. Dat “even kijken” redde mijn leven.
In de ambulance was het allemaal nog rustig, mijn hartslag daalde flink maar herstelde ook. Het ambulance personeel was professioneel, oplettend, meelevend. Ze namen geen risico en besloten me naar het ziekenhuis te brengen voor controle. Ik lag nog maar net aan de hartbewaking toen het gebeurde: mijn hart stopte.
Twaalf seconden.
Het klinkt kort. Maar het is lang genoeg om een leven in twee delen te scheuren: ervoor en erna.
Mijn man was erbij. Hij zag de alarmen, de paniek, de rennende verpleegkundigen. Ik niet, ik was er even niet. Een plotseling wegvallen, alsof iemand het licht uitzette. Het voelde als in een diepe slaap vallen. Ik was zo ontzettend moe. En toch begon mijn hart spontaan weer te kloppen, alsof het zich bedacht had.
Maar daarmee was de storm nog niet voorbij. De artsen reageerden alsof elke seconde telde: ik kreeg met spoed een uitwendige pacemaker, een grote plakset met draden die aanvoelt alsof je leven via een stekkerdoos loopt. Daarna volgden de onderzoeken. En de complicaties. Twee weken ziekenhuis door infecties, reacties, en bovenop alles: een klaplong doordat bij het plaatsen van de definitieve pacemaker mijn long werd aangeprikt. Het was alsof mijn lijf stapelde, alsof het zei: “We gooien alles in één keer op tafel, dan zijn we er vanaf.”
Wat het hele gebeuren extra surrealistisch maakte, was hoe het ziekenhuis ineens een heel eigen universum werd. Terwijl ik lag op de cardiologie-afdeling, met de gevolgen van mijn hartstilstand en de pacemaker, lag mijn schoonzus op de oncologie-afdeling, terminaal ziek. Het klinkt als iets uit een film, maar het was realiteit. Gelukkig mocht ik, met alle toeters en bellen van mijn uitwendige pacemaker, door het ziekenhuispersoneel begeleid bij haar op bezoek voordat ze naar het hospice ging. Die wandeling voelde vreemd en kostbaar tegelijk: het ene leven vechtend, het andere langzaam aan het loslaten.
En alsof het nog niet bizar genoeg was, kwam mijn nicht op bezoek. Ze verscheen bij mijn bed met een scheef gezicht maar was ook laconiek, het zal wel goed komen. Niet veel later werd zij ineens opgenomen op de afdeling neurologie. Drie familieleden, op verschillende afdelingen, op hetzelfde moment in één ziekenhuisgebouw. Zelfs voor het personeel was het uitzonderlijk.
We konden elkaar niet zomaar opzoeken; de aandoeningen waren te ernstig. Familie mocht wel een rondje door het ziekenhuis doen, wel zo makkelijk. Een herinnering dat soms het leven, in al zijn heftigheid, tegelijk absurd en hartverscheurend kan zijn.
En toen… ging ik gewoon door
Toen ik eindelijk thuis kwam, dacht ik dat het ergste achter me lag. De artsen gaven geen medicatie mee. Geen revalidatietraject. Gewoon: rust houden. En dus ontstond een gevaarlijke gedachte: Dan valt het allemaal wel mee.
Ik ging gewoon door.
Ik móést door, vond ik.
Ik ben moeder. Ik heb een gezin dat draait, kinderen die gevoed moeten worden, getroost, gelachen.
Ik ben ondernemer. Er is altijd werk dat wacht, afspraken, verantwoordelijkheden.
Ik zei tegen mezelf:
“Het valt vast allemaal wel mee.”
“Hoe erg kan het zijn?”
Ik dacht oprecht: ik heb niet de luxe om rust te nemen.
Ik duwde mezelf weer in een tempo dat al hoog was vóór de hartstilstand, laat staan erna. En dus draaide ik door op oude snelheid. Terwijl mijn lichaam nog ergens halverwege lag te happen naar adem. Maar het lichaam hou je niet eindeloos voor de gek.
Een jaar later ben ik nog steeds moe. Niet moe als in “drukke dag achter de rug”, maar moe tot in mijn botten, moe in mijn gedachten, moe in mijn hele lijf.
Ik ben emotioneel sneller geraakt, ’s nachts lig ik wakker terwijl mijn hoofd niet stopt met denken alsof het geen uit-knop meer heeft.
Rusteloos in mijn lijf concentreren lukt amper; ik vergeet dingen. Kleine, grote, stomme dingen. Overprikkeling is standaard.
En steeds dacht ik: Waarom kan ik dit niet gewoon van me afschudden? Waarom ben ik hier nog niet overheen?
Tot ik deze week terugging naar de huisarts. Bijna verontschuldigend, alsof ik overdrijf. Maar hij luisterde. En keek. En toen zei hij rustig en resoluut:
“Alles wat je voelt is normaal. Een hartstilstand raakt niet alleen het hart. Het raakt ook je hersenen. Je zenuwstelsel. Je emoties. Jij hebt een neurologische en mentale klap gehad.”
Hij legde uit dat je brein zuurstoftekort en extreme stress niet zomaar vergeet, ook al ben je “maar” 12 seconden weg geweest. Dat trauma zich ook fysiek nestelt. Dat doorrammen misschien werkt op de korte termijn, maar stilletjes alles verergert.
Twaalf seconden hartstilstand is niet twaalf seconden. Het is maanden herstel.
Na dat gesprek heb ik de stap gezet die ik veel eerder had moeten zetten: ik ga praten met een professional. Geen grootse daad. Geen dramatische stap.
Gewoon iemand die meekijkt, meedenkt, meeluistert. Niet omdat ik het zelf niet kan. Maar omdat niemand dit soort dingen alleen hoeft te dragen. Het voelt niet als falen, ik mag hulp vragen. Alleen jammer van de wachtlijst van 90 dagen.
Wat dit jaar me leerde
Eén jaar later ik ben er nog. Ik leef. Ik schrijf dit. Niet als een overlevingsverhaal, maar als een zacht, eerlijk verslag van iemand die even uitgeschakeld werd en nu wat bewuster probeert te leven. Niet perfect, niet heilig, niet voortdurend dankbaar, gewoon menselijk. Soms is het nee zeggen, zodat je ja kunt blijven zeggen tegen jezelf. Soms is het pauzeren midden in de dag om een wandelingetje te maken, niet omdat het moet, maar omdat het kan. En soms ben ik gewoon stil, midden op een dag, en denk ik: kijk me hier nou zitten. Ik leef. Dat voelt klein, en toch gigantisch tegelijkertijd.
Ik vier vandaag niet alleen dat ik er nog ben, maar ook dat ik blijf leren, groeien, proberen, soms struikelend, maar vooral dankbaar.
Dankbaar voor mijn moeder. Voor mijn vriendin. Voor die huisarts die niet twijfelde. Voor het ambulancepersoneel dat verder keek. Voor het team dat me opving. Voor mijn hart dat tóch weer begon.
En als jij dit leest:
Luister naar je lichaam.
Luister naar de mensen om je heen.
En laat je hart niet wachten tot het stopt voordat jij het serieus neemt.
dinsdag 11 november 2025
Als iedereen op je leunt
In december stopte mijn hart.
Geen metafoor, geen dichterlijke overdrijving, gewoon, letterlijk. Stilte, paniek,
sirenes. Een paar seconden waarin alles ophield. Daarna de traagheid van
herstel: ziekenhuisgeluiden, de geur van ontsmettingsmiddel, gesprekken die
half aan me voorbijgingen.
Er kwam een moment waarop ik het zelf hardop zei: “Ik kan
niet meer voor iedereen klaarstaan.”
Ik zei het tegen mijn man, mijn kinderen, mijn ouders, mijn broer. Ze knikten.
Ze zeiden dat ze het begrepen. En ik geloofde ze. Even dacht ik dat dit het
keerpunt was.
De weken daarna voelde ik een vreemde rust. Alsof ik
eindelijk mocht ademen zonder schuldgevoel. Ik deed minder. Ik luisterde naar
stilte. Ik leerde “nee” zeggen, of dacht dat ik dat leerde.
Maar bijna een jaar later merk ik hoe stilletjes de oude
patronen terug kruipen.
Het begint onschuldig.
“Jij weet dat vast wel.”
“Kun jij even bellen?”
“Wil jij met haar praten?”
En ik, die het zo goed had voorgenomen, glijd langzaam terug in mijn vertrouwde
rol: de oplosser, de luisteraar, de raadgever.
Ik weet precies hoe het gebeurt. Iemand vertelt iets, er
valt een korte stilte, en ergens in die stilte voel ik een drang. Niet omdat ze
het vragen, maar omdat ik het voel. Een soort trek in mijn borst: ik moet
dit oplossen, ik moet het lichter maken.
Het is geen bewuste keuze, eerder een reflex. Ik hoor mezelf
geruststellen, relativeren, meevoelen. Ik zie mijn handen die alweer iets
regelen. En ondertussen zakt mijn eigen energie ongemerkt naar beneden. Dat is het gekke aan zorgen: het lijkt op liefde, maar het
kan ook een vorm van controle zijn. Als ik alles oplos, blijft de wereld
tenminste overzichtelijk. Er gaat niets mis, niemand valt. Alleen ik, soms.
Na mijn hartstilstand zei ik tegen mezelf dat ik moest leren
loslaten. Maar loslaten is niet één besluit. Het is een dagelijks gevecht met
de oude overtuiging dat mijn waarde zit in wat ik voor anderen beteken. Ik denk terug aan iets wat ik jaren geleden schreef: dat
loslaten niet betekent dat het me niets meer uitmaakt, maar dat ik besef dat ik
het niet voor een ander kan doen. Dat blijft waar, alleen nu voelt het
persoonlijker dan ooit.
Ik merk het vooral binnen mijn familie. Daar waar loyaliteit
en liefde door elkaar lopen.
Als het om familie gaat, slik ik mijn “nee” nog steeds te vaak in.
Het zijn de mensen die me het meest raken, en tegelijk het moeilijkst kunnen
verdragen dat ik niet meer alles kan dragen. Ze zijn begripvol, oprecht zelfs,
maar naarmate de tijd verstrijkt, schuiven we langzaam terug naar het oude
evenwicht. Alsof de wereld vanzelf weer zoekt naar hoe het ooit was.
En ik laat het gebeuren, deels uit liefde, deels uit gemak.
Want als ik niet de stabiele factor ben, wie ben ik dan? Wat blijft er over als
ik niet degene ben die luistert, troost, regelt, oplost?
Misschien stilte.
Misschien ruimte.
Misschien iets wat ik nog niet ken.
Soms probeer ik het: even níet reageren. Gewoon luisteren en
niets zeggen. De stilte laten bestaan. En dan zie ik hoe anderen zich
ongemakkelijk bewegen, zoeken naar houvast. Ze zijn het niet gewend dat ik geen
antwoord geef. Dat ik hun spanning niet opvang.
Het is lastig om te zien, maar ook bevrijdend. Want in die
kleine stiltes ontstaat iets nieuws: verantwoordelijkheid die niet van mij is.
Ik begin te vermoeden dat dit de ware oefening is, niet
loslaten in de grote, spirituele zin, maar in het alledaagse. Niet elke brand
blussen, niet elk verdriet gladstrijken, niet elke stilte vullen. Gewoon even
niets doen, ook al voelt dat tegennatuurlijk.
Er is een zekere eenzaamheid in deze fase. Wie jarenlang de
rust bewaakte, ontdekt pas laat dat rust houden voor jezelf iets anders is dan
rust brengen bij anderen. De eerste vraagt moed, de tweede vraagt aanpassing.
En ik ben moe van aanpassen.
Soms fantaseer ik hoe het zou zijn als ik de rollen even omdraai. Dat iemand anders zegt: “Ik vang het wel even op, jij hoeft niet.” Alleen al het idee voelt onwennig, bijna beschamend. Alsof ik iets vraag wat ik niet verdien. Maar misschien is dat precies waar herstel begint, bij het toelaten dat ik niet onuitputtelijk hoef te zijn. Dat er liefde kan bestaan zonder dat ik hem voortdurend moet bewijzen door te geven.
Ik weet niet of ik dit echt ga leren. Misschien blijf ik
altijd een beetje die oplosser, die raadgever. Misschien is dat gewoon verweven
met wie ik ben. Maar ik probeer er tenminste bewust in te ademen. Iets langer
te wachten voor ik “ja” zeg. Iets minder haast te hebben met het dragen van
andermans last.
Geen grote verandering. Geen mooie conclusie. Alleen de wil
om niet opnieuw mezelf te verliezen in het helpen van iedereen die ik liefheb.
En dat moet maar genoeg zijn. Voor nu.
Ik ben schrijver, moeder, bonusmoeder en pleegmoeder. Ik
schrijf over het leven zoals het werkelijk voelt, met liefde, schuld, ruis en
alles ertussenin.
